In mijn leven met autisme heb ik nogal wat hobbels op de weg moeten trotseren — en dat terwijl ik niet eens wist dat ik op een soort emotionele hindernisbaan zat. Als ik terugkijk, is psycho-educatie misschien wel het meest waardevolle gebleken.
Als kind merkte ik al vrij snel: ik ben anders. Iets klopte er niet.
En nee, dat “iets” was niet mijn sokkencombinatie (hoewel daar ook weleens commentaar op kwam).
Mijn ouders reageerden vaak op mijn weerstand bij nieuwe dingen. “Kom,” zeiden ze dan enthousiast, “we gaan vandaag eens naar het bos!”
Prachtig plan, toch?
Nou, voor mijn hoofd dus niet.
Wat gaan we doen?
Bos? Bomen? Wandelen? Moet ik iets meenemen? Word ik opgegeten door een beer? (Oké, die laatste was wat overdreven — maar welkom in mijn hoofd.)
Mijn brein draaide op volle toeren. Mijn ouders noemden het ‘zeuren’. Maar wat ik probeerde, was duidelijkheid krijgen. Grip. Ik wilde gewoon weten wat me te wachten stond.
Het enige wat ik dan hoorde was: “Zeur nou eens niet zo, Sjorn.”
Ja, hoe dan wel?!
Ik kreeg het gevoel dat mijn reactie niet ‘oké’ was.
Maar vertel me dan: hoe moet ik reageren op iets wat mijn brein nog niet kent? Als ik nog geen plaatje heb van wat er komen gaat? Als alles in mij schreeuwt: alarmfase oranje?
Ik voelde me aan mijn lot overgelaten.
Leg het me uit.
Hoe fijn was het geweest als mijn ouders op dat moment hadden gezegd:
“Joh Sjorn, je eerste reactie is er eentje van weerstand — dat hoort bij jouw autisme. Dat is niet raar, dat is gewoon jouw brein dat even moet wennen.”
Die kennis had al een wereld van verschil gemaakt.
Psycho-educatie had me houvast gegeven. Grip. Als ik wist wat er gebeurde, had ik ermee aan de slag gekund. Misschien niet meteen als een blije boswandelaar, maar in elk geval zonder paniekmodus.
Mijn autisme.
Het was fijn geweest als mijn ouders het autisme gewoon bij mij hadden kunnen laten.
In plaats daarvan leken ze het te willen wegduwen, alsof het iets was wat ze liever kwijt dan rijk waren.
Wat ik nodig had?
Dat ze mijn weerstand als onderdeel van mij zagen. Dat we samen gingen zoeken. Maar ja, vroeger was er ook gewoon minder bekend over autisme.
Wat had ik het allerliefste gewild?
Rust. Begrip. En misschien zelfs een grapje.
Zoiets als: “Wacht even hoor, Sjorn is zich aan het opwarmen voor iets nieuws. Geef ‘m vijf minuten en een uitleg.”
Niet zo zwaar.
Een beetje luchtigheid had veel gedaan.
Humor had geholpen.
Eerst op je weerstand wachten — dat zou op een tegeltje kunnen.
Ik ben nu ouder. En ja, ook nu snappen mensen mijn weerstand niet altijd. Maar als ik het had kunnen uitleggen, eerder, dan had dat me geholpen. Dan had ik kunnen zeggen:
“Dit hoort bij mijn autisme. Even geduld, dan komt het goed. Misschien geen champagnefeestje, maar ik kom er wel.”




