Een funest puntje in menig relatie zijn containerbegrippen. Woorden als straks, later, misschien, dat doe ik zo. Ze klinken onschuldig, maar zijn in de praktijk relationeel drijfzand. En nee, in relaties met een man met autisme zijn ze niet “handig vaag”, maar gewoon… vaag. Punt.
Daar komt nog een categorie bij die het verrassend goed doet in discussies:
“Hij doet dat net zo.”
“Jij doet dat ook.”
Stop. Ga niet verder. Gevarenzone.
Waarom dit zo’n heikel punt is? Omdat je man met autisme vaak nooit de memo heeft gekregen. Jij hebt namelijk nooit de tijd genomen om uit te leggen dat hij — net als je vader — het lepeltje ná het roeren op tafel legt en niet op het schoteltje, waar die voor bedoeld is. Of dat hij — geheel in de lijn van tante Marry — geen nieuwe wc-rol ophangt als het laatste vel is gebruikt.
Kleine irritaties. Opvallendheden. Dingen waarvan jij eerder dacht: Ach laat maar.
Totdat je ze ineens wél gebruikt. In een gesprek. Als voorbeeld. Als bewijs. Als munitie.
En dat is, met het grote rechtvaardigheidsgevoel van veel mannen met autisme, gewoon niet eerlijk. Je beschuldigt hem van gedrag waar hij nooit zeggenschap over heeft gehad. Hij wist niet dat het een probleem was. Hij wist niet dat het een regel was. Hij wist überhaupt niet dat er iets op het spel stond.
Het gevolg?
Hij haakt af. En meestal ook nog licht geïrriteerd. Begrijpelijk.
Dus dames, een vriendelijke waarschuwing: begeef je niet in deze contreien. Je gooit je eigen glazen in. Met overtuiging. En daarna vraag je je af waarom het gesprek nergens komt.
Tip van de therapeutische zijlijn:
Bespreek dingen op het moment dat ze ontstaan, niet pas als ze dienst gaan doen als historisch bewijsmateriaal. Dat is niet communiceren, dat is archeologie. En daar wordt geen enkele relatie beter van.




